Van Ludger tot Adrianus

Katholiek Eibergen door de jaren heen

Bij Het herdenken van zo’n mijlpaal als het 200-jarig bestaan van onze parochie, is het goed om terug te kijken naar wat er zoal in die periode is gebeurd en wat er vooraf ging aan het stichten van parochie. Immers, elke toekomst is gebouwd op het verleden.

De geschiedenis van het Christendom in Eibergen en omstreken is uitvoerig beschreven in de boekjes "kostgangers van Onze Lieve HEER", door F.J. de Leeuw (1985).

De ECHO-redactie heeft deze boekjes nog eens doorgelezen en samengevat.


De eerste Mattheusparochie

Het Christendom werd op deze wijze hardhandig ingevoerd door Karel de Grote (768-814). De hier wonende Saksen verzetten zich hier onder aanvoering van Wittekind.

De ongelijke strijd werd echter ten gunste van Karel de Grote beslist. In 792 stelde hij de heilige Ludger tot herder van het westelijk deel van het land der Saksen aan. In 804 werd deze tot eerste bisschop van Münster gewijd. De Achterhoekse kerken behoorden tot dit bisdom. Eibergen behoorde tot de uitgestrekte oerparochie Groenlo, die in 1193 onder het aartsdekenaat van Vreden kwam. In de loop van 13e eeuw werd Eibergen een zelfstandige parochie, waaronder het open stadje Eibergen, Hupsel, Holterhoek, Rekken, Mallem, Het Loo en Haarloo vielen. Eibergen kreeg ook een eigen kerk, die omstreeks 1250 werd gebouwd op de plaat waar voorheen een kerkhofkapel stond. Omstreeks 1500 heeft men over het bestaande schip een hoger en breder schip gebouwd. Zo ontstond de oude Mattheuskerk, thans de Nederlandse hervormde kerk. In de 14e eeuw werden in Rekken kapellen gesticht, die door de pastoor van Eibergen werden bediend, als tegenprestatie daarvoor werden stukken grond aan de kerk geschonken.

 

De reformatie

In de late middeleeuwen slopen veel misbruiken de katholieke kerk binnen. Veel priesters leefden in concubinaat. De plattelandsbevolking werd vaak door kloosters uitgebuit en er heerste grote armoede onder de bevolking. Van vele zijden werd getracht hieraan een paal en perk te stellen. Op 21 oktober 1517 hing de Augustijner monnik Maarten Luther in Wittenberg zijn 95 stellingen tegen misstanden in de kerk op.

Omdat hij weigerde deze stellingen op last van de paus te herroepen, werd de reformatie een feit. Aanvankelijk ging deze kerkstrijd aan de katholieken in deze streken vrijwel ongemerkt voorbij. Na 1577 is echter een groot deel van de bewoners van de Gelderse Achterhoek geleidelijk naar de nieuwe religie overgestapt, al bleef op bepaalde plaatsen, o.a. Groenlo, de moederkerk trouw. Het dorp Eibergen is vrijwel geheel naar de nieuwe godsdienst overgegaan; Mallem en het Loo, geheel Rekken en Holterhoek grotendeels. Hupsel bleef op één uitzondering na (Scholten Brunning) katholiek. In 1616 werd de toen zelfstandige heerlijkheid Borculo, waartoe ook Eibergen behoorde, door Prins Maurits bij Gelderland, en zo bij Nederland ingelijfd. Evenals in Nederland werd de "Gereformeerde religie" de publieke godsdienst. Dit betekende niet alleen afwijzing van de Roomse leer, maar ook van de Lutherse, die in de heerlijkheid tot in de hoogste kringen ingang had gevonden. Geleidelijk sloten zich katholieken en luthersen aan bij de Hervormde gemeente. De calvinistische leer vond hier dus veel later ingang dan in Holland. Mogelijk daarom heeft het strijdvaardig en dogmatisch gefundeerde calvinisme in dit deel van de Achterhoek minder diep wortel geschoten. Het jaar 1616 was het definitieve einde van de St. Mattheusparochie in Eibergen. De protestanten namen toen bezit van de Mattheuskerk.

 

Katholieke godsdienst verboden

Aanvankelijk konden de katholieken nog in Groenlo ter kerke, maar toen de stad in 1627 door Prins Frederik Hendrik op Spanjaarden werd heroverd, werd ook dit steeds moeilijker.

Door de provincie Gelderland werden alle vergaderingen en bijeenkomsten tot uitoefening van hun religie aan de katholieken verboden. De nog overgebleven en vooral de Duitse priesters trachtten, ondanks het daarvan verbonden gevaar, hoofdzakelijk ‘s nachts de zielzorg uit te oefenen in het gebied van Groenlo. Verkleed als boeren of marskramers trokken de paters uit Vreden-Zwillbrock door het grensgebied, om op afgelegen plaatsen voor te gaan in het beleiden van het oude geloof. Toen ook dit steeds moeilijker werd, werden aan de Duitse kant van de grens missieposten gesticht, waar katholieken de sacramenten konden ontvangen. Op kerstmis 1651 werd in Zwillbrock in de openlucht een nachtmis gevierd, waarbij enkele duizenden katholieken uit de heerlijkheid Borculo en uit Groenlo en omgeving aanwezig waren. Dit was de aanzet tot het bouwen van een kapel, die tussen 1712 en 1720 vervangen werd door de thans nog bestaande prachtige barokkerk van 1672 tot 1674 is deze streek nog in handen geweest bisschop van Münster, Bernhard von Galen, ("Bommen Bernd")  en werd de Mattheuskerk tijdelijk weer toegewezen aan de hier nog overgebleven 40 katholieke gezinnen. Vele jaren lang in de 17e en 18e eeuw zijn onze voorouders langs de Kloppendiek en de Kerkdijk naar Zwillbrock ter kerke gegaan. Deze mensen moesten ongelofelijke offers brengen om hun geloof te beleven.

 

De tweede Mattheusparochie

Toen in 1795 de patriotten met behulp van Franse legers de Bataafse Republiek stichtten, besliste de nationale vergadering dat er geen bevoorrechte of heersende kerk werd geduld. De Eibergse katholieken reageerden direct op deze beslissing, want bij akte van de Vicaris-generaal van Münster werd nog in 1795 de statie Eibergen opgericht. Als eerste pastoor na de hervorming werd de Zwilbrockse pater Arnoldus Knicking benoemd.


Vier kerken in 200 jaar

Nog in hetzelfde jaar wordt van Antony Tankink op vaarwerk een boerenhuis op hoek Grotestraat-Whemerdijk gehuurd, waar op 9 augustus 1795 door pastoor Knicking voor de eerste maal de H. Mis werd opgedragen. Dit pand werd in 1804 aangekocht voor de som van f 750,--. Tot de eerste kerkmeesters werden verkozen Jan-Derk Harbers (Eibergen), Gerrit Olminkhof (Oude Eibergen), Gerritwillem Alfrink (Hupsel) en Hendrik Boerhof (Mallem). Geleidelijk aan nam het aantal katholieken toe. In 1817 waren er al 700 parochianen, waarvan 70 tot 80 in het dorp en de overigen in de buurtschappen. De eerste kerk werd daarom al gauw te klein.

Verbouwing en vergroting ervan had, in verband met de slechte staat, geen zin. In 1822 werd onder pastoor Johannes Arnoldus Abbink (1817-1835) begonnen met de bouw van een tweede kerk aan de Whemerdijk, waar later, de naai - en bewaar school zou verrijzen. Deze kerk op 5 oktober 1824 ingewijd door de aartspriester van Gelderland. Eigen bisschoppen waren in Nederland nog niet toegestaan. Pas in 1853 werd de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. De bisdommen werden verdeeld in dekenaten en de staties der Hollandse zending werden  tot parochies verheven. Voor de St. Mattheusparochie gebeurde dat officieel bij schrijven van 13 februari 1855 van aartsbisschop Mgr. Johannes Zwijsen. Aangezien het aantal katholieken in Eibergen en Rekken fors bleef toenemen werden in de loop der jaren zowel de kerk in Eibergen als de kapel in Rekken, die vanuit Eibergen werd bediend, veel te klein voor het zondagse kerkbezoek. In 1872 werd de thans nog bestaande kerk in Rekken gebouwd. Aan de bouw van deze kerk werkten ook veel leden van N.H. gemeente. Hieruit blijkt dat de goede verstandshouding tussen protestanten en katholieken in Rekken al van oudsher heeft bestaan. Pas in juli 1914 werd Rekken een zelfstandige parochie. De Eibergse kapelaan W. de Groot werd er de eerste pastoor. Ook de kerk aan de Whemerdijk moest wegens ruimtegebrek nodig worden vervangen. In 1875 werd begonnen met de bouw van een nieuwe kerk, ca. 50 meter achter hotel de Klok. Het is een voor die tijd veel voorkomend standaard type, enigszins gelijkend op de kerk in Rekken. Op 8 februari 1876 werd deze kerk ingewijd door deken B.F. Terwindt. Zowel de kerk in Rekken als die in Eibergen werden gebouwd onder pastoor P. van den Hurk (1866-1903). 'Gesitueerd' als hij was, heef hij ook in ruime mate financieel aan de bouw bijgedragen.

Al gauw vrij na de totstandkoming bleek dat de kerk in Eibergen niet erg solide was gebouwd en dat de steeds weer terugkerende reparaties voor hoge kosten zorgden. Waarschijnlijk al in 1929 werd gedacht aan nieuwbouw toen het R.K kerkbestuur van de familie Ellerbeck de huizen aan de Grotestraat met schuren, tuinen en erven kocht. Hierbij hoorde ook de later omgebouwde leerlooierij aan de Fabrieksstraat. In 1934 werd het naast hotel de Klok gelegen woonwinkelhuis van schoenmaker Scholten geruild voor de oude pastorie aan de Whemerdijk. Hierdoor kwam er voldoende ruimte vrij voor de bouw van de huidige kerk en pastorie. De nieuwbouw vond plaats onder pastoor E.F. de Jong (1877 - 1942). Architect J. Sluymer uit Enschede ontwierp de kerk en pastorie. De bouw werd gegund aan de fa. J.M. te Drosthorst uit Lichtenvoorde voor de som van f 55.987.50 voor de kale bouw. De werkelijke kosten bleken later veel hoger te zijn. Inclusief verwarming, altaar, communiebanken, kerkbanken en de aanleg van de tuin kwamen de kosten boven de f 100.000,--  Vóór het bouwen moest het terrein worden opgehoogd met schoon zand, dat gedeeltelijk door een aantal katholieke boeren werd aangebracht. De kerk is op 5 november 1935 ingewijd door Mgr. Jansen, aartsbisschop van Utrecht. De tuin is tot 1967 gebruikt voor de jaarlijkse sacramentsprocessie, die altijd ook grote belangstelling trok van niet-katholieken. De kerk is opgetrokken uit een bijzondere mooie handgevormde steen, die doet denken aan kloostermoppen. Het sobere interieur mist de tierlantijnen die veelal in oudere kerken voorkomen. Een belangrijke wijziging onderging het interieur in 1975, toen grote houten kruis boven het altaar werd vervangen door de twee diepreliëfs in gedreven koper, aan weerszijden van een koperen kruis, van de kunstenaar José Pirkner. De voorstelling is gewijd aan de H. Mattheus, patroon van deze kerk. Het kunstwerk is een schenking van de vroegere stichting St. Antoniusgesticht.